gedeelte uit interview MIST partners van jonge mensen met dementie in beeld

‘Er is nog zoveel tussen Ada en mij, maar je moet het wel willen zien. Als je het niet ziet, is het er inderdaad niet.’

‘In 1997 kon ik binnen het bedrijf waar ik werkte een hele mooie baan krijgen op het hoofdkantoor van Friesland Campina in Meppel, maar ik heb het niet gedaan omdat ik toen al mijn twijfels had over de conditie van mijn vrouw Ada. Oppervlakkig gezien ging er iets mis met haar zicht, maar ik had het gevoel dat er meer aan de hand was. Daarom wilde ik in een vertrouwde omgeving blijven wonen, hier in Alkmaar. Ada zelf wilde niet geloven dat ze iets mankeerde en pas na heel lang aandringen kreeg ik haar in 2011 mee naar de huisarts. Die stuurde ons door naar de oogspecialist, maar met haar ogen bleek helemaal niks mis te zijn. En tóch ging alles fout. Hij snapte er helemaal niets van en heeft ons doorgestuurd naar een neuroloog. Die heeft een MRI-scan laten maken en Ada allerlei reflextesten afgenomen. Dat ging weer helemaal fout, maar de neuroloog vond het geen probleem. Het ging om de reflexen, zei zij. En ook op de MRI-scan was niets te zien. Zij vond dat ik me zorgen maakte om niks. Net als iedereen eigenlijk. De enige die zich ook zorgen maakte om Ada was onze oudste dochter Judith. Zij was in 2000 als eens naar me toe gekomen om “een keertje over mamma te praten”. De rest van de wereld vond dat ik me aanstelde.’, aldus Walter Veenstra. Echtgenoot van de aan Posterieure Corticale Atrofie leidende Ada.

‘Na het bezoek aan die neuroloog en de reacties van mijn omgeving, had ik zoiets van: “Zoek het allemaal maar uit, we lossen het zelf wel op.” Vanaf dat moment ben ik gewoon heel goed gaan opletten wáár ze “tegenaan” liep en dat loste ik voor haar op. Doordat ze geen diepte meer zag had ze bijvoorbeeld problemen met eten. Ze prikte er voortdurend naast en dat frustreerde haar mateloos. Daarvoor heb ik twee soorten borden aangeschaft. Donkergekleurd voor licht gekleurd eten, lichtgekleurde borden voor donker eten. En van dat eten maakte ik altijd een prakje dat ik dan ook nog eens aanmaakte met een sausje, zodat ze het zelf kon eten met een lepel.
Heel simpel, maar het werkte. Ik heb ook bewust nooit een afwasmachine genomen om samen te kunnen afwassen. En omdat zij nog weleens iets naast de tafel zette, heb ik plastic bakjes gekocht voor haar om af te drogen. Die stuiterden dan vrolijk op de grond als ze vielen en daar konden we dan hartelijk om lachen. We kookten ook samen. Dat wil zeggen: ik deed het werk en vroeg haar om te roeren en te proeven. Gewoon om haar het gevoel te geven dat ze er nog toe deed. De tuin heb ik zelf ontworpen met donkergekleurde terrassen en lichtgekleurde paden om haar naar binnen en naar buiten te begeleiden. Maar toen die tuin eenmaal was aangelegd, moest ze worden opgenomen. Dat was mijn laatste project voor haar en het heeft een hele tijd geduurd voordat ik lekker buiten kon zitten en lekker van de tuin genieten.’

Je kunt Alzheimer alleen maar aan
als je heel veel van iemand houdt